Iconen als portret

In het oude Egypte werden mummies van de elite voorzien van gouden dodenmaskers. Tijdens de Romeinse overheersing (vanaf de eerste eeuw) verviel het land geleidelijk aan tot armoede en maakten de dodenmaskers plaats voor eenvoudiger, op hout geschilderde portretten, die al tijdens het leven werden gemaakt.

Na het overlijden werden ze op het gelaat van de overledene of op de sarcofaag gelegd. Dit geschilderde 'portret'paste ook bij de overtuiging van de eerste christenen, die met de Romeinse soldaten naar Egypte kwamen. Ook zij lieten hun overledenen, zoals in Egypte gebruikelijk was, mummificeren, maar verwierpen de toepassing van realistische driedimensionale dodenmaskers, omdat de bijbel (Oude Testament) gesneden en gegoten afbeeldingen uitdrukkelijk verbiedt. Op een plat vlak geschilderde afbeeldingen werden als onrealistisch en meer vergeestelijkt beschouwd en waren daarom wel toegestaan.

Dergelijke op hout geschilderde portretten worden Fayum-portretten (Fajoem-portretten)genoemd, naar de Fayum-oase (El Fajoem), zo’n 120 kilometer ten zuiden van Caïro, waar een groot aantal van deze tussen de eerste en vierde eeuw vervaardigde portretten is teruggevonden.

Fayumportretten zijn geïdealiseerde afbeeldingen van hoofd, hals en borstaanzet. Wat opvalt zijn de grote, wijd opengesperde ogen met een zeer intense blik, waardoor de afgebeelde persoon iets bovenaards uitstraalt; het is alsof iets uit het hiernamaals zichtbaar wordt. Individuele kenmerken als haardracht, kleding en sieraden zijn echter wel overeenkomstig de aardse status weergegeven.De ogen van de heiligen op vroege ikonen doen sterk denken aan de wijd geopende ogen van de Fayumportretten.

Daar komt nog bij dat Fayumportretten zowel als vroege iconen geschilderd zijn in de encaustische techniek. Daarbij werden pigmenten vermengd met hete was en vervolgens op een ondergrond aangebracht (wasverven). Later deed de eitempera-techniek zijn intrede en werden voor het schilderen van iconen (en overigens ook voor manuscripten en muurschilderingen) pigmenten gebonden met eigeel.

Meer informatie over Fayumportretten

Christus

De volwassen Christus wordt op iconen weergegeven met lange, golvende lokken en een compacte baard in twee punten. Op Zijn gezicht zijn geen emoties te zien en Hij straalt een rustige en ontzagwekkende ernst uit. Meestal draagt een purperen onderkleed en een blauw bovenkleed.

Christus heeft altijd een aureool met een kruis, een zogenaamde kruisnimbus. Daarin staan drie Griekse letters: 'O ω Ν. Deze letters duiden aan dat Christus Goddelijk is. (Hij die is, De Zijnde). Bij de meeste Griekse iconen staat de ω bovenaan, bij Russische iconen de 'O. Meer informatie over aureolen vindt u hier.

De inscriptie 'IC XC' komt uit het Grieks en is een afkorting voor 'Jezus Christus'. Ook op Russische iconen én iconen uit andere gebieden is deze inscriptie in het Grieks aangebracht.

Geschiedenis van de Christusvoorstelling

De Joodse cultuur, waar Christus uit voortkwam, verbood het maken van afbeeldingen, zoals portretten. Ook de eerste christenen vermeden het maken van beelden, omdat ze dit als heidens beschouwden. Symbolen zoals vissen, druivenranken, palmtakken en het Chi-Ro-monogram, waren wel toegestaan.

Het Chi-Ro-monogram (XP) is samengesteld uit de eerste twee letters van het Griekse woord ‘XPIΣTΟΣ’ (Christos), wat ‘gezalfde’ betekent. Dit monogram was bijzonder populair, zelfs nadat het kruis het belangrijkste christelijke symbool was geworden. Als je de Chi (X) een kwartslag draait, is het eveneens een kruis. Dit monogram is veelvuldig te vinden op vroegchristelijke sarcofagen, munten en zegelringen.

In het Oude Testament zijn twee passages te vinden die de eerste christenen beschouwden als de voornaamste beschrijvingen van Christus:

Jesaja 53: 2-3: "De verachte dienstknecht des Heren, zonder gestalte of luister, een man van smarten"
Psalm 44:3: "Hij is de schoonste van gestalte onder de mensenkinderen"

Vanaf de 4e eeuw, wanneer de Romeinse keizer Constantijn de christenen godsdienstvrijheid heeft gegeven en het christendom een grote bloei doormaakt, worden beelden en portretten meer geaccepteerd en ontstaat vraag naar portretbeelden van Christus. Op grond van bovengenoemde passages uit het Oude Testament leidt dit tot een polemiek tussen verschillende kerkvaders over de wijze van uitbeelden van de Zoon van God en diens gelaat. Een aantal van hen (bijv. Cyrillus van Alexandrië, † 444) beweert dat hij lelijk moet worden afgebeeld. Deze kerkvaders zijn bovendien felle tegenstanders van het Griekse schoonheidsideaal.

Andere kerkvaders, zoals Ambrosius († 397) en Johannes Chrysostomos († 407), zijn van mening dat Christus ook uiterlijk zeer mooi was. In de vierde en vijfde eeuw was het uiterlijk van de afgebeelde Christus dan ook niet eenduidig.

De vraag naar het waarachtige, authentieke portret van Christus werd in de 6e eeuw steeds belangrijker en was de oorzaak van het ontstaan van allerlei legenden over Christusbeelden (en afbeeldingen van andere heilige personen) die zonder tussenkomst van de mens zouden zijn ontstaan ('Acheiropoeitos'), zoals bijvoorbeeld het Mandylion.

Theologen uit die tijd gebruikten deze legenden ook als argument tegen de iconoclasten, die wars waren van alle religieuze afbeeldingen. Als beelden op wonderbaarlijke, goddelijke wijze ontstaan, zijn deze als het ware door God zelf goedgekeurd.

Het Mandylion (een afbeelding van het gelaat van Christus op een geplooide doek) voert terug op een legende over koning Abgar uit Edessa, die ten tijde van Christus leefde. Abgar was melaats en liet zijn hofschilder Ananias een brief aan Jezus bezorgen. Ananias kreeg tevens de opdracht een portret van Christus te schilderen. Bij aankomst in Jeruzalem was het zo druk, dat Ananias op een rots moest klimmen om Jezus te zien en een portret van hem te maken. Toen Jezus hem zag, beval hij Ananias dichterbij te komen. Hij prees het geloof van Abgar en liet een vochtige doek brengen, waarin hij de afdruk van zijn gelaat achterliet. Toen koning Abgar, bij terugkomst van zijn knecht, deze doek tegen zich aandrukte, was hij genezen.

De zogenaamde Lentulusbrief (Epistula Lentuli), genoemd naar de vermeende Romeinse prefect Lentulus in Palestina, dook pas in de late middeleeuwen op, in West-Europa. Deze Lentulus zou in deze brief aan de Romeinse senaat een beschrijving hebben gegeven van het uiterlijk van Christus. Daarin wordt Christus beschreven als:

"…een indrukwekkende verschijning, die vrees en liefde opwekt. Zijn haar heeft de kleur van rijpe hazelnoot, vanaf de oren zacht krullend in dikke lokken tot op zijn schouders en in het midden gescheiden zoals gebruikelijk bij de Nazareners. Zijn voorhoofd is kalm en glad, neus en mond zijn even volmaakt als de overige gelaatstrekken. De kleur van de huid is rozerood. De baard is vol, van dezelfde kleur als het hoofdhaar, niet lang en enigszins gevorkt op de kin. Zijn gestalte is eenvoudig en ontspannen en hij heeft een lichte, levendige, heldere en glanzende oogopslag."

De beschrijving in deze brief - die waarschijnlijk pas in de late middeleeuwen tot stand kwam - is gebaseerd op de dan al gebruikelijke weergave van Christus, ook op iconen. Hij wordt weergegeven met lange, golvende lokken en een compacte baard in twee punten. Op zijn gezicht zijn geen emoties te zien en Hij straalt een rustige en ontzagwekkende ernst uit.

Op iconen van Zijn openbare leven draagt Christus meestal een rood (purperen) onderkleed en een blauw bovenkleed. Rood zou de kleur van de goddelijkheid zijn, blauw de kleur van de menselijkheid. Bij de Moeder Gods is dat net andersom. Na Zijn verrijzenis draagt Hij een stralend wit kleed.

Moeder Gods

De verering van de moeder van Christus is al heel vroeg begonnen, waarschijnlijk vóór de derde eeuw. Als 'moeder Gods' wordt zij gezien als middelares tussen de mensheid en God, en daarom aangeroepen in noodsituaties. De Russisch-orthodoxe kerkelijke kalender verwijst meer dan 250 keer naar wonderdadige iconen van de Moeder Gods. Zij is de schutsvrouwe en patrones van ontelbare kloosters, steden, kerken, gezelschappen en verenigingen.
Een belangrijk centrum van de Artemis-verering vormde de tempel van Efeze, één van de zeven wereldwonderen van de klassieke oudheid. In de vierde eeuw was deze tempel één van de grootste christelijke kerken geworden, die in 406 uiteindelijk werd verwoest.

De Moeder Gods draagt op iconen meestal een blauw onderkleed en een purperen bovenmantel - tegengesteld aan Christus, die een purperen onderkleed en een blauwe mantel draagt. De kleur blauw verwijst naar de menselijke natuur. Purperen stoffen zijn zeer kostbaar en mochten in het Byzantijnse rijk een tijdlang alleen door leden van de keizerlijke familie worden gedragen. Purper wordt daarom als een keizerlijke kleur beschouwd. Meer over de symbolische betekenis van kleuren vindt u hier.

Iconen van de moeder Gods zijn altijd voorzien van de inscriptie:
ΜΡ θΥ (Meter Theou', 'Moeder Gods')

Al in de prehistorie werden moedergodinnen vereerd en ook de Hellenistische wereld van rond het begin van de christelijke jaartelling kende een zeer geliefde moedergodin: Artemis/Diana.
Tijdens het concilie van Efeze in 431 was het aanvankelijk de bedoeling Maria niet te 'vergoddelijken' maar hiertegen kwamen de Efeziërs in opstand; zij eisten zelfs de terugkeer van hun Artemis.

Daarop werd binnen de kerk geijverd om Maria heilig te verklaren en nog tijdens het concilie werd Maria erkend als 'Theotokos' ('Moeder Gods', 'Zij die God gebaard heeft'). Als erkend wordt dat Christus de Goddelijke én de menselijke natuur had, dan impliceert dit dat zijn moeder ook de Moeder Gods is, zo werd geredeneerd. Er bestaan veel legendes rondom het verblijf van Maria in Efeze aan het eind van haar leven. Zij zou daar ook overleden en begraven zijn.
In 432 werd in Efeze een nieuwe kerk gebouwd en aan de Moeder Gods gewijd. Vanaf dat moment neemt de verering van Maria een hoge vlucht. Zij wordt gezien als middelares tussen de mensheid en God, en daarom aangeroepen in noodsituaties. Tijdens het concilie van Efeze werd haar 'bindende beeltenis' vastgelegd. De oorsprong van de Maria-iconen zouden de schilderingen van de evangelist Lucas zijn, die haar tijdens haar leven drie maal zou hebben geschilderd: alle drie in de periode na Pinksteren, toen Lucas geheel vervuld was van de Heilige Geest.

Hierop zouden de drie basismodellen van Maria-iconen zijn gebaseerd:

  • De 'Elousa' (Glykophilousa, Umilenie) ofwel 'Moeder Gods van de Tederheid'
  • De 'Hodegetria' ofwel 'Zij die de weg wijst'
  • De 'Orante' ofwel 'Moeder Gods van het Teken'
  • Daarnaast zijn nog een viertal icoontypen ontstaan:

  • De Tronende Moeder Gods
  • Scènes uit het leven van de Moeder Gods
  • Symbolische voorstellingen van de Moeder Gods
  • Wonderbare verschijningen van de Moeder Gods

    De Russisch-orthodoxe kerkelijke kalender verwijst meer dan 250 keer naar wonderdadige iconen van de Moeder Gods. Zij is de schutsvrouwe en patrones van ontelbare kloosters, steden, kerken, gezelschappen en verenigingen.

    De Moeder Gods draagt op iconen een blauw onderkleed en een purperen bovenmantel - tegengesteld aan Christus, die een purperen onderkleed en een blauwe mantel draagt. De kleur blauw verwijst naar de menselijke natuur. Purperen stoffen zijn zeer kostbaar en mochten in het Byzantijnse rijk een tijdlang alleen door leden van de keizerlijke familie worden gedragen. Purper wordt daarom als een keizerlijke kleur beschouwd.

    Engelen

    Het woord 'engel' komt van het Griekse woord 'angelos' ('angelus' in het Latijn), en betekent 'gevolmachtigd boodschapper'. Engelen zijn puur spirituele wezens, zonder materie - boodschappers die het contact onderhouden tussen God in de hemel en de mensen op aarde. In het contact met de mensen kunnen zij zich in een bepaalde gedaante manifesteren.

  • In de Bijbel wordt het uiterlijk van engelen nauwelijks of niet beschreven. In het Oude Testament zijn engelen jongelingen of mannen in witte gewaden. Tot de 4e eeuw na Christus worden zij dan ook als jonge mannen zonder vleugels afgebeeld. In oude culturen (Sumeriërs, Egyptenaren) werden vogels, wezens met vleugels, een speciale taak toegedicht: het onderhouden van contacten tussen de hoge, hemelse sferen, waar de goden verbleven, en de stervelingen op aarde. Dit leidde er toe dat vanaf de vroeg-Byzantijnse tijd engelen ook met vleugels werden afgebeeld.
    De iconografie van engelen is geënt op de afbeeldingen van goden en halfgoden uit de Oud Perzische en Hellenistische cultuur. Maar in tegenstelling tot de goddelijke boodschappers Nikè en Victoria, zijn de christelijke engelen (jonge) mannen.

    Tijdens het 7e concilie van Nicea (787 A.D.) werd het uiterlijk en de verering van engelen officieel vastgelegd. Daarbij werd ervan uitgegaan dat engelen enkel kunnen worden afgebeeld in de vorm die ze hebben aangenomen om zich aan de mens te manifesteren. In hun materieloze staat kunnen ze eenvoudigweg niet worden afgebeeld.

    Een Byzantijns epigram bij een icoon van de aartsengel Michaël luidt als volgt:
    'Als je de beweging van een engel wilt vastleggen,
    Waarom schilder, schilder je dan deze gevleugelde man,
    En niet intelligentie, bezieling, licht en vlam,
    Men kan niet met materie schilderen wat materieloos is.'

    Hun lichaamshouding kenmerkt zich door beweging, hun gewaden zijn van soepel vallende stof, vol plooien. De vleugels verwijzen naar de mogelijkheid op te stijgen naar het hemelse. De blote voeten geven aan dat engelen vrij en ongedwongen zijn. De kleding kan bestaan uit een wit gewaad (wit is de kleur van goddelijkheid, het hemelse licht), maar ook uit een priesterlijk gewaad of een militair tenue zijn.

    Zich baserend op het Oude Testament, heeft Pseudo-Dionysius de Areopagiet in de zesde eeuw na Christus in een traktaat (De 'hierarchia coelasti', ofwel 'De hemelse rangorde') een indeling gemaakt van de verschillende soorten engelen. Volgens dit traktaat zijn er drie hiërarchieën of triaden te onderscheiden, die elk weer uit drie verschillende koren bestaan.

  • De eerste triade, de goddelijke hofdignitarissen, bestaat uit Serafijnen, Cherubijnen en Tronen. De Serafijnen staan het dichtst bij God.
  • De tweede triade, verantwoordelijk voor kosmos en wereld en het begeleiden van Gods heilswerk, bestaat uit Heerschappijen, Machten en Krachten.
  • De derde triade, de goddelijke boodschappers en beschermers, bestaat uit Vorstendommen, Aartsengelen en Engelen.
  • De 'Hermeneia' (Schilderhandboek) van de Berg Athos kent een enigszins afwijkende indeling. De volgorde (van het dichtst bij God tot dichtst bij de aarde) is:

  • Tronen (vurige raderen met ogen)
  • Cherubs (6-vleugelig, meestal blauw)
  • Serafs (6-vleugelig, rood)
  • Heerschappijen
  • Krachten
  • Machten
  • Vorstendommen (in het bezit van een zwaard, scepter en kruis)
  • Aartsengelen
  • Engelen (2-vleugelig, beschermengelen)
  • Aartsengelen zijn de boodschappers van God en worden met een speciale taak naar de wereld van de mensen gestuurd .Er zijn zeven aartsengelen: Michaël, Gabriël, Rafaël, Uriël, Zedekiël, Serathiël en Ananiël. De eerste drie zijn het bekendst.

    Michaël en Gabriël worden afgebeeld met een polos (bodestaf) of scepter in de ene hand, en (meestal) een wereldbol in de andere. Beiden dragen een kostbare haarband. De rode of witte linten bij de oren (toroki) symboliseren volgens sommige deskundigen een soort antennes of radiogolven, om aan te geven dat de engelen in contact staan met God.